De Smokkelreis

by Hans | September 5th, 2007

Bezeten van het varen, als ik was, moest en zou ik naar zee. Immers de hele familie verdiende daar de boterham, wel of niet belegd. Opa, Vader, Ooms, Neven, nee geen nichten, waren zeelui. Ze voeren als kapitein, stuurman, timmerman, bootsman en matroos. Er was van alles op zee. De oorlogsjaren hadden ze doorgebracht op de Oceanen. Een bijzondere bijkomstigheid hiervan was wel dat ze nooit Duits hebben hoeven te leren. Als kind werd het varen dus met de paplepel naar binnen gegoten. Nog maar net mijn eerste woordjes brabbelend waren dat natuurlijk ‘Boot en Zee’. Wekelijks aan het Vlaardingse hoofd, met een zak pelpinda’s, om de schepen te bekijken. Jaloers op hen die weer het zeegat uitvoeren. De verhalen, als er een aantal tegelijk thuis gevaren waren, met grote ogen en open mond vrat ik en sloeg alles op in het kleine koppie. Maar de wens bleef om zelf ook eens zo’n zeereis mee te maken.

Eindelijk was het zover, ik schat dat ik een jaar of dertien was. Ik zat op de LTS. Mijn vader was stuurman op de “Trompenburg” van Wm.Muller & Co uit Rotterdam. Een scheepje dat aanvankelijk als “Karel” in 1940 was gebouwd bij de Gebr. Bodewes te Foxhol en slechts 385 grt mat. Zij onderhield een weekdienst van Rotterdam naar Boston (UK). Pa had een afspraak gemaakt met z’n kapitein Theo Micklinghoff. Regelmatig ging ik met mijn vader mee naar Rotterdam om op mijn vrije zaterdag lekker op zo’n schip de lucht van de lading en van de machinekamer op te snuiven. Men vond dat heel gewoon. De zoon van de stuurman die een oogje in het zeil hield bij het laden. Ook deze zaterdag ging ik weer mee. Doch deze keer was anders. Een oogje op het laden van de producten uit het Westland, mooie tomaten, uien en nog meer van deze producten uit de Glazen Stad, was er niet bij. Zo tegen het einde van het laden kreeg ik van Pa te horen dat ik maar eens naar beneden moest naar zijn hut. Als een gevangene werd ik opgesloten. Natuurlijk deed ik dit vrijwillig en graag. De rederij mocht immers niet weten wat er gaande was. Een passagier meenemen kon niet. Daar had men ten eerste passagierschepen voor en ten tweede moest voor de kost en inwoning worden betaald. Omdat ik me stil moest houden hoorde ik alle geluiden. Op de achtergrond de fluit van een sleepboot. Het kraken van de kranen. Het schreeuwen van de bootwerkers en zelf het krijsen van de meeuwen. Op een gegeven moment schrok ik me echt het apelazerus. Er werd hard op de deur gebonkt. Ik had het niet meer. Besefte wel dat het Sinterklaas niet kon zijn. Er werd geroepen. Stuur, kom als afscheid nog even de gebruikelijke neut halen. Ijzig stil hield ik me. Durfde amper te ademen. Aan de andere kant van de deur hoorde ik een hoop gemopper en toen dat verstomde werd ik weer wat rustiger. Gelukkig er had nog niemand lucht van mijn avontuur gekregen. Maar de kust was nog steeds niet veilig zolang de “Trompenburg” nog in de Jobshaven lag afgemeerd.

Opeens, daar was het, een gerommel ging door het schip. Dit geluid herkende ik en besefte dat de motor was gestart. Gelijk voelde ik een lichte trilling. Ik kon wel juichen, we vertrokken. Een gevoel van blijdschap overviel me. Ik ga naar zee. Stiekem tuurde ik door de patrijspoort en zag de loodsen aan de overkant, van de Jobshaven, eerst dichterbij komen en daarna voorbij schuiven. Nu is het echt dacht ik. Een tiental minuten later werd de gevangenisdeur door mijn vader geopend en de kleine gevangene vrij gelaten. Kom er maar uit. Je kan naar de brug. We zitten op de rivier. Dat was me een belevenis. Zag schepen van de Lloyd, hierna de Merwedehaven en Wilton aan me voorbij trekken. Tot dat we bij Vlaardingen kwamen. De plek waar ik zelf zo velen malen had gezeten. Op dat hoofd daar stonden mijn moeder en zusje. Toch wel enigszins met een brok in de keel, zwaaiden we naar elkaar en ze riepen me een goede reis toe. Ik had geen flauw benul wat er door het mens heen ging. Later ben ik daar wel achter gekomen. Ze had het er heel moeilijk mee. Maar ze was ook een beetje trots. Haar zoon zou misschien in de voetsporen van zijn vader treden. Zo’n gedachte leefde erg in het toen nog ouderwetse vissersdorp Vlaardingen. Nadat Vlaardingen was gepasseerd ging ik eens aan dek kijken. De matrozen waren bezig de presseningen af te keggen. Dat vond ik wel wat en als een volleerde matroos bood ik mijn diensten aan. Dat leverde gelijk zeemansvriendschap op. Een echte vriendschap die niet zomaar verloren gaat. Ter hoogte van Maassluis waren de luiken afgekegd en klaar. In de haven zag ik de zeeslepers van L.Smit & Co Internationale Sleepdienst Maatschappij liggen. Niet wetende dat ik er een aantal jaren later mijn zeemansloopbaan zou beginnen. Krachtige en prachtige werkpaarden van zo’n 1000 tot 4000 pk. Mijn vader vertelde dat deze piraten de hele wereld rond voeren met allerlei drijvend spul. Van baggermolen tot drijvende dokken aan de tros. Machtig vond ik het. Ook zag ik de schepen van Waling en van Geest, waarvan er één zich juist los maakte en ook zee koos. Het bleek de ‘Geeststroom” te zijn. De stuurman daar aan boord was een bekende van mijn vader. Zijn zoon was ook aan boord, maar daar kwam ik pas later achter. De reis ging verder en we passeerden Poortershaven, de munitiekade, en hierna de Berghaven van Hoek van Holland. De loods ging van boord en wenste ons een goede reis. Ik kreeg, en passant, van de loods nog een goede raad mee om spek te eten aan een touwtje. Joost mocht weten wat hij daar mee voor had.

Eenmaal buiten de pieren ree de “Trompenburg” met een vaart van zo’n  9 mijl de golven af. Het was prachtig weer en reeds avond geworden. Achter me zag ik de lichtjes snel verdwijnen. Ik zat op zee. Ik waande me al een echte zeebonk. Geen last van zeeziekte en op de brug het hoogste woord. Intussen was mijn vader naar z’n kooi gegaan. Hij moest om 12 uur op wacht  Ik heb nog een tijdje bij oom Theo doorgebracht. Hoe snel gaat het, Als je als kleine jongen bij de kapitein op wacht staat je dan al oom tegen hem mag zeggen. Ik moest goed uitkijken en hem een seintje geven als ik lichtjes vooruit zag. De vermoeide ogen van die dag kon ik niet goed meer open houden. Ik kwam dan ook steeds te laat om te melden dat ik een rood, groen, wit of slaand licht zag. Hij legde uit dat ze van vuurtoren naar vuurtoren of lichtschip voeren. Het zal wel dacht ik. Ik heb meer slaap dan onderwijsles nodig. Om negen uur ’s-avonds ging ik voor het eerst te kooi op zee. En geslapen dat ik heb, zo rustig wiegend over het water, dat ik klokje rond pas weer wakker werd. Ben toen maar eens in de kombuis gaan kijken. Er kwamen van die lekkere luchtjes uit. De kok was bezig schol te bakken. Het bleek een gewoonte te zijn, na vertrek uit Rotterdam. De kok was voor mij een joviale vent. Hij vroeg of ik een jagertje wilde. Niet wetende wat hij daar mee bedoelde, zei ik toch maar graag. Het bleek een goede gok. Want al spoedig lag er een heerlijk gebakken scholletje op een bordje dat ik mocht oppeuzelen. De zee maakte hongerig en had dit visje dan ook in een snel tempo weggewerkt. Ik bedankte de kok voor zijn gulheid en ging hierna maar eens op de brug kijken. Er was koffie gezet en kreeg een mok voor gezet. Echter na twee slokjes bedankte ik vriendelijk. De koffie smaakte me niet. Zij was gezet door in een ketel warm water, die in de kombuis aan de kook was gebracht, een aantal scheppen koffie te deponeren. Vervolgens werd zij met behulp van een zeefje in een mok geschonken. Lekker was anders. Toch was het de beroemde keteltjes koffie. De kok die inmiddels ook op de brug was gekomen had in de gaten wat er met me aan de hand was. Ik kreeg van hem dan ook een echte onvervalste mok  “Poeroet”. Heerlijke chocolademelk. Natuurlijk door dit te drinken werd ik nooit een zeeman. Na het middag eten ging ik met mijn vader naar de brug. Hier liepen we samen de wacht. De zee was kalm en prachtig. Er stond geen wind. De radio stond aan en uit de speaker klonk “Als matrozen uit Piraeus dansen gaan”. Het leven lachte me toe. Dit was waar ik van had gedroomd.

 In de namiddag doemde de kust van Engeland op. Opnieuw een belevenis. Hoe hadden ze dat voor elkaar gekregen. Zonder maar één verkeersbord te zijn tegen gekomen. Voordat het echt donker werd kwam de loods aan boord. Vreemd taaltje had hij. Ik wist wel dat dit Engels moest zijn. We werden keurig in de sluis geloodst en tot mijn verbazing lagen we daar niet alleen. De “Geeststroom” was gelijk met de “Trompenburg” de sluis binnen gelopen. Groetjes over en weer. Nu zag ik daar aan boord ook een jongen lopen, van ongeveer dezelfde leeftijd als ik. Dit bleek dus de zoon van de stuurman. Hij was net als ik mee gesmokkeld. Hij was ook Vlaardinger en ik kende hem als de buurjongen van mijn oom en tante. Hij heette Gerrit Woensdrecht. Die avond lagen we dus afgemeerd in de Docks van Boston. Voorzichtig ging ik de wal op en ontmoete daar Gerrit. De zeebonk van de  “Geeststroom”. We hebben samen nog wat rond geslenterd, totdat we het sein kregen om aan boord te komen en naar de kooi te gaan. De volgende dag werd de lading gelost. Dit zou de gehele dag doorgaan. Ik had wat geld van mijn vader gekregen en dat waren dus geen Nederlandse dubbeltjes, kwartjes of guldens. Raar geld was het. Ook de logica snapte ik niet. Men had het over ponden, shillingen en penny’s. ’s Middags dus de wal op, echter niet alleen. Onze cullinaire vriend, die na de afwas vrij was, begeleidde me. De z.g.n. zeevader had opdracht gekregen bij me te blijven en chocolade voor mijn moeder te kopen en een aardigheidje voor mijn zusje. Het werd een gezellige middag. We gingen een winkel in die “Boots” heette. De bootsman kwam ik er helaas niet tegen. Wel kon ik hier de bewuste doos Black Magic chocolade kopen. Vol trots gaf ik de verkoopster mijn Engelse geld. Dit alles onder het toeziend oog van mijn vriend de kok. Nadat we de winkel hadden verlaten gingen we naar een “Pub”. De naam ben ik vergeten, maar had iets te maken met een ‘Zwarte Stier’. Een soort cafe waar de kok een biertje nam en ik een fles limonade kreeg. Ik vond het biertje van de kok wel een beetje vreemd en aan de grote kant. Het leek wel op een grote bloemenvaas gevuld met pis. Maar kennelijk smaakte het prima. De kok nam er namelijk nog één. Nadat dit tweede glas was weggewerkt gingen we weer terug naar onze vertrouwde “Trompenburg”. Hier liet ik trots mijn inkopen zien. Vader knikte dat het goed was. Ondertussen was het ruim leeg en zouden de volgende dag kunnen gaan laden.

 Toen ik de volgende dag wakker werd, hoorde ik koeien loeien. Dat vond ik maar weer vreemd. Hoe kon dat nu. Je zou eerder gekwaak van eenden horen dan geloei van koeien. Ik had het goed gehoord. Op de kade waren vrachtwagens vee aan het lossen. Overal tussen rekken stonden de dieren te loeien, te schijten en te zijken. Het mooiste van dit alles was dat ze moesten worden geladen. Dat was een prachtig gezicht. Een stelletjes cowboy’s joegen de beesten op om maar de loopplank te nemen. Soms bleef er één vertwijfeld staan en dan kwam de cowboy met een soort stok die hij tegen de bil van het dier drukte. Aan het einde van de stok zat een drukknopje, dat hij dan indrukte en hoepla, dan schoot het beest vooruit. Dat was het sein om ook eens mee te helpen. Met veel gebaren begreep men wat ik wilde. Ik werd in de kraal getild en kreeg de stok in handen. Echter voordat ik deze goed kon gaan gebruiken zat ik volledig onder de stront en was gelijk genezen. Grote hilariteit en gelach door de cowboy’s. Na een flinke was partij zocht ik Gerrit , van de  “Geeststroom”, op. Samen hebben we op een muurtje het verdere laden bekeken en genoten met volle teugen. Laat in de middag waren alle koeien aan boord en werden de trossen losgegooid en vertrokken we richting Rotterdam. Ook nu was het prachtig weer. Voordat de nacht viel waren we op volle zee. Natuurlijk weer op tijd naar de kooi.

 De volgende dag had ik het idee opgevat om eens bij de machinist te gaan kijken. Omdat hij altijd rond koffie tijd op de brug was vroeg ik hem of ik mee mocht. Dat vond hij best. Ik kwam in een grote ruimte, waarin in het midden een groot stuk staal stond wat ontzettend veel herrie maakte. De machinist ging vertellen wat het was. Met zijn mond dicht bij mijn oren zei hij dat dit de motor was, die het schip voortbewoog. Vond het allemaal wel spannend en liep nog eens verder rond. Ging een klein trapje op en zag boven op de motor allemaal bewegende onderdelen. Waar het voor diende wist ik toen niet. Had op school wel eens over kleppen, uitlaat e.d. gehoord en begreep dan ook dat dit hier iets mee te maken had. Ik bedankte de machinist en ging weer naar boven. Wat een rust. Ik kwam mijn vriend de kok weer tegen. Hij zei me als ik vandaag weer wilde eten ik de kost dan maar eens moest verdienen. Een grote bak met aardappelen en een mesje werd voor mijn neus gezet. Deze kan je allemaal schillen. Hier is een grote pan waar je ze in kan doen. Dat was een tegenvaller. Had gedacht weer lekker te kunnen rond neuzen op de brug. Het scheen de kok een beetje lang te duren, want hij kwam me helpen. Het eten smaakte me prima, vooral de aardappelen at ik met veel plezier. De middag was weer erg gezellig. Met mijn vader op de brug. Ik werd een beetje wegwijs gemaakt in navigatie. Een streep werd gezet in een kaart. Die er wel heel anders uitzag als de kaart die ik op school had gezien. We moesten de koers die in de kaart staan volgen. Op een kompas kon je aflezen welke richting we voeren en dit vergelijken met de koers in de kaart. De middag gleed voorbij en voor ik er erg in had was de avond al weer gevallen. 

Toen ik de volgende ochtend wakker werd lagen we al afgemeerd in de Jobshaven. Ik had er niets van gemerkt. Wel waren er voldoende activiteiten. De luiken lagen open en de koeien werden gelost. Ook was er een meneer aan boord in een groen pak. Dit was douane vertelde mijn vader. Hij vroeg mij of ik het leuk had gehad. Ja meneer. Een mooie reis en hoop dat ik dit nog eens mag meemaken. De douanemeneer was zeer behulpzaam. Hij hielp mijn vader met een zak houtjes aan de wal te zetten. Dit was voor het aanmaken van de kachel zo vertelde mijn vader aan de douanemeneer. Ik ging hierna nog even naar oom Theo en bedankte hem voor de gastvrijheid op zijn schip. Hij hoopte dat ik genoten had en er een toekomstig zeeman in mij zou zitten. Ik groeten hem met de beste wensen en hoopte hem nog eens een keer te ontmoette. Mijn vader en ik ging samen huiswaarts. We werden met open armen ontvangen. Moeder en mijn zusje hadden iets lekkers in huis gehaald en ik kon mijn verhaal doen. Natuurlijk gaf ik haar de doos Black Magic. Ze genoot en was blij dat ik aan haar gedacht had. Voor mijn zusje had ik ook nog wat lekkers meegebracht en kreeg er een dikke kus voor. Het mooiste was dat mijn vader de zak met aanmaak houtje open maakte. Tussen al dat hout kwamen sloffen sigaretten te voorschijn en zelf een flesje oude jenever. Men zal begrijpen dat dit een groot gelach opleverde. Mijn eerste grote zeereis was afgelopen. En zoals je merkt heb je jaren later er nog plezier aan. 

Hans van der Ster
Nw.Vossemeer januari 2007

Related Posts:

2 Responses to “De Smokkelreis”

  1. Lenie Kleingeld says:

    Een mooie belevenis en mooi geschreven

  2. peter jansen says:

    Zelf gevaren als lichtmatroos. op ms Rozenburg en Brittenburg met de eerste rolluiken van macgregorHerinner mijn zeeziek zijn en de bootsman liet mijn schoonmaken.Uiteindelijk ben ik een goed zeeman geworden op zee en een slechte op het land(erg ontdeugend)De wereld rond gereist op allerlei schepen als engineer voor de luiken en kranen,niet te vergeten de mooie tijd bij wijsmuller.Now I live in west australia and work in heavy mining industrie ben 62 and love my heineken. Happy sailing

Leave a Reply

W.K.M. Cornelisse Trading B.V.
Alphatron Marine
Astilleros Armon
Sea Conquest Marine Surveys & Consultancy
Sanmar Denizcilik A.?
Damen Shipyard Group
DMT MARINE EQUIPMENT
Van Wijngaarden Marine Services B.V.
Bogazici Shipping
Transport & Offshore Services
Robert Allan Ltd